Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Terra Nova is een ondiepe plas, ontstaan als gevolg van veenwinning. De plas maakt onderdeel uit van het Zuidelijke Vechtplassengebied, op de overgang van de hooggelegen Utrechtse Heuvelrug en het lager gelegen Vechtdal. De plas maakt onderdeel uit van de polder Loenderveen. Het gebied is belangrijk voor vegetaties die horen bij ondiepe laagveenplassen en moeras- en watervogels. Om de plassen op peil te houden laat AGV in de zomer water in vanuit de Loosdrechtse plassen via de Loenderveense plas Oost, die op hun beurt gedefosfateerd inlaatwater ontvangen vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal.
Terra Nova (NL11_5_4) heeft watertype “matig grote ondiepe laagveenplassen” (M27) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 72 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3320-EAG-1 (Loenderveen, Terra Nova landelijk noord), 3320-EAG-2 (Loenderveen, Terra Nova)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en Utrecht en gemeente(n) Stichtse Vecht en Wijdemeren. Het waterlichaam Terra Nova heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Gemeente Amsterdam en particulieren.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote ondiepe laagveenplassen (M27), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn gericht op vegetatietypen die horen bij laagveenplassen en rietzones in verband met moerasvogels.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Terra Nova (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.

Sinds 1988 is er in de plas een omslag opgetreden naar een troebel, vegetatiearm systeem. In de winter van 2003-2004 zijn ecologische maatregelen getroffen door gemeente Amsterdam waarbij onder andere brasem en blankvoorn is verwijderd. In 2011 isvanaf een drijvend ponton ijzerchloride toegevoegd om het fosfaat in de bodem vast te leggen. Deze ingreep heeft er toe geleid dat de plas helderder is geworden. Terra Nova heeft een `laagveenmoeraskarakter’ met veensoorten, gebonden aan verlandingsoevers, organisch substraat en/of bruinig veenwater. Verlandingsoevers zijn plaatselijk aanwezig, met soorten als pluimzegge, moerasvaren en waterscheerling, maar hebben zich nog maar beperkt hersteld. Onderwaterplanten zijn niet hersteld en er komen alleen soorten van voedselrijk water voor. Na het toedienen van ijzerchloride zijn er een aantal zomers geweest zonder blauwalgenbloeien, maar de afgelopen jaren bloeien regelmatig blauwalgen in de plassen. Vissen hebben gereageerd op de maatregelen. Voor 2004 domineerde de brasem de visgemeenschap, zoals gebruikelijk in voedselrijke troebele wateren. Na afvissing van veel van deze brasem (en blankvoorn) treden andere, veelal plantenminnende soorten op de voorgrond: aal, bittervoorn, kroeskarper, zeelt, snoek, ruisvoorn. Toch scoort de visstand onvoldoende op de KRW maatlat, omdat er relatief veel baars en blankvoorn voorkomt in verhouding tot plantminnende soorten. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een positieve trend (0.21 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.21 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een positieve trend (0.28 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een positieve trend (0.08 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstof, fosfor en doorzicht gaan achteruit.

Oorzaken op hoofdlijnen
De laagveenplas Terra Nova kampt met eutrofiëring, die zich sinds 1988 heeft vertaald in algenbloei, troebel water en een gebrekkige ontwikkeling van water- en moerasvegetaties. De huidige fosforbelasting van het noordelijk deel van Terra Nova is hoger dan de kritieke P belasting en veroorzaakt de blauwalgenbloei. Een belangrijke potentiële bron van fosfor ligt in de waterbodem. In 2013 is echter geen nalevering bij de waterbodem gemeten. Mogelijk levert de uitspoeling uit de landbouwpercelen ten westen van de plassen ook een forse bijdrage aan de totale fosforbelasting.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het omleiden en scheiden van waterstromen en het instellen van een flexibel peil, waardoor minder waterinlaat nodig is. Daarnaast zijn er ook maatregelen om gericht op bestrijden van kreeften en ganzen, het beter vispasseerbaar maken van kunstwerken en legakkerherstel.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. De laagveenplas Terra Nova kampt met eutrofiëring, die zich sinds 1988 heeft vertaald in algenbloei, troebel water en een gebrekkige ontwikkeling van water- en moerasvegetaties. De huidige fosforbelasting van het noordelijk deel van Terra Nova is hoger dan de kritieke P belasting en veroorzaakt de blauwalgenbloei. Een belangrijke potentiële bron van fosfor ligt in de waterbodem. In 2013 is echter geen nalevering bij de waterbodem gemeten. Er zijn wel duidelijke signalen dat de ijzersuppletie is uitgewerkt: Sulfaatconcentraties dalen de afgelopen jaren en fosforconcentraties aan het einde van zomer nemen toe, wat een indicatie is voor zuurstofloosheid, afbraak nabij de waterbodem en dus ook voor nalevering van fosfor uit de waterbodem. Mogelijk levert de uitspoeling uit de landbouwpercelen ten westen van de plassen ook een bijdrage aan de totale fosforbelasting. Het is ook niet duidelijk in hoeverre er nog Vechtwater wordt ingelaten in het gebied. Het valt bijvoorbeeld op dat chloride een stuk hoger ligt in Terra Nova dan in de Loenderveense plas, een belangrijke bron van water voor Terra Nova. Er zijn enorme pieken in ammonium en nitriet te zien in de winter. Stikstof wordt aangevoerd vanuit de Waterleidingplas, waar stikstofrijk water uit de Bethunepolder wordt ingelaten.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem. Lichtuitdoving door fytobenthos en algen samen doven het licht voor ondergedoken watervegetatie. De hoge dichtheid van fytobenthos en algen wordt veroorzaakt door de hoge concentraties bechikbaar opgelost fosfaat. Ook de grote hoeveelheid drijfbladvegetatie neemt licht weg voor de ondergedoken watervegetatie.
esficon Productiviteit bodem vormt lokaal een probleem: de waterbodem is bijna overal voedselrijk (> 1000mg/kg dgP).
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem: lokaal zorgen bomen voor beschaduwing boven de oevervegetatie. Er is sprake van steile oevers (van nature) langs de legakkers.
esficon Verspreiding vormt een probleem voor aal. Het gemaal van Terra Nova is niet veilig passeerbaar voor vis. Hier wordt een 1-zijdige passage mogelijk gemaakt met een visveilige pomp.
esficon Verwijdering vormt een probleem. Graas door ganzen is significant, graas door meerkoeten is aantoonbaar, graas door kreeften is hypothetisch.
esficon Organische belasting staat onder druk. Er zijn geen riooloverstorten die lozen op het waterlichaam en bladinval is vooral een lokaal pobleem voor de oeverzone. Plaatselijk komt ophoping van bladeren en takken in het water voor. Hierdoor ontstaat rotting en voedselrijkdom.
esficon Toxiciteit is onbekend.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Consequenties gedefosfateerd surplus Bethunewater via Loenderveense Plas (2018).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Afkoppelen westelijk landbouwgebied Deze maatregel is nodig als bij nadere uitwerking blijkt dat dit land via de plas afwatert. In de P-belasting uit de balans van 2013 is uitspoeling zeer laag: de verwachting is dat dit een onderschatting is. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 IJzersuppletie of bezanden deel 2 Deel 1 heeft onvoldoende effect gehad; we gaan evalueren hoe dat komt en wat aangepast kan worden. De externe belasting moet voldoende laag zijn (samenhang met maatregel afkoppelen westelijk landbouwgebied). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Intensivering van rietbeheer langs de oevers van particuliere eigenaren Het gaat hier om zowel eenmalige aanpassingen als om structurele intensivering van het onderhoud. Eenmalig is nodig: oevers beschermen tegen graas, bomen verwijderen en afvoeren en infrastructuur aanleggen om intensiever onderhoud mogelijk te maken. Structureel is intensivering van beheer en onderhoud nodig, zodat opschietend hout tijdig wordt verwijderd en afgevoerd; hiervoor is een structurele uitbreiding van SNL-gelden nodig. Bomen die onderdeel van het landschap of tuin zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met de eigenaren hoe deze maatregel opgepakt kan worden. particuliere eigenaren 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren actief biologisch beheer Het gaat visstandsbemonstering als ook het wegvangen van vis Gemeente Amsterdam 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren waterbeheermaatregelen Terra Nova Het betreft het aanleggen van een stuw en het automatiseren van het gemaal onder de noemer "“Waterstromen omleiden/scheiden door peilmaatregelen”" Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
Niet opgenomen in SGBP IJzersuppletie Het sediment was relatief arm aan ijzer, waardoor P werd gemobiliseerd Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2010-2011
esficon SGBP3 2021-2027 Uitheemse rivierkreeft beheersen Deze maatregel heeft pas zin als de andere sleutelfactoren op orde zijn. Net als brasem kan kreeft zorgen voor een stabiele, ongewenste situatie zonder waterplanten, inclusief krabbescheer. Biomanipulatie van kreeften, als eenmalige ingreep, kan het systeem dan laten omslaan naar een plantenrijk systeem. Daarin zullen de kreeften niet meer gaan domineren. Deze maatregel heeft ook effect op verwijdering (ESF6). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
esficon SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Terra Nova (autonoom) Het gaat om één pakket van de volgende deelmaatregelen:- Toepassen actief biologisch beheer (visstand monitoren en vis wegvangen, 85 ha)- Aanleggen 3,5 kilometer vooroevers inclusief het kappen van bomen als legakkerherstel- Het kappen van bomen langs 2,0 kilometer bestaande vooroevers- Het jaarlijks verwijderen van boom- en groenopslag- Het verwijderen van kroos en drijflagen (1 ha) Gemeente Amsterdam 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren legakkerherstel Terra Nova Het gaat om het legakkerstel van 2 km vooroever in het zuidelijk deel van het gebied en het beheer van 500 m legakkers Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Vispasseerbaar maken van sluizen, gemalen en stuwen - Terra Nova Dit is een gefaseerde maatregel uit SGBP-II. Gemaal Terra Nova is niet veilig passeerbaar voor is. Door de pomp in het gemaal bij renovatie te vervangen door een visveilige pomp zal het gemaal 1-zijdig vispasseerbaar worden gemaakt. Er wordt vooralsnog geen voorziening aangelegd om ook intrek van vis mogelijk te maken, om ongewenste eutroefieringseffecten door brasem te voorkomen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Enten onderwaterplanten aanvullend op andere maatregelen Dit is alleen zinvol als de fosfor-belasting onder de kritische grens ligt en de kreeften zijn verwijderd, waardoor de sleutelfactoren op orde zijn. Na vele jaren slechte toestand zijn er waarschijnlijk onvoldoende diasporen van submerse planten. Door waterplanten te enten ontstaat sneller een goede waterplantenvegetatie waarmee een stabiel watersysteem mogelijk is, waarin kreeften niet opnieuw gaan domineren. Gemeente Amsterdam 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Vispasseerbaar maken van sluizen, gemalen en stuwen - fase 2 Bij gemaal Terra Nova ligt de nadruk op de hoge schade (aan aal) in het huidige gemaal. Door de pomp in het gemaal te vervangen door een visveilige pomp zal het gemaal 1-zijdig vispasseerbaar worden gemaakt. Er wordt vooralsnog geen voorziening aangelegd om ook intrek van vis mogelijk te maken. Gezien de kleine omvang van Terra Nova is intrek van vis minder belangrijk en in de huidige situatie zelfs onwenselijk, omdat met name het brasembestand laag moet worden gehouden om ongewenste eutroefieringseffecten te voorkomen. Gepland is om de maatregel tegelijk met renovatie van het gemaal uit te voeren. Mocht blijken dat er een volledig nieuw gemaal moet worden gebouwd, dan wordt overwogen het gemaal (voor de toekomst) wel 2-zijdig vispasseerbaar te maken, als dit tegen beperkte meerkosten gerealiseerd kan worden. Deze maatregel is gefaseerd naar SGBP3. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
esficon SGBP3 2021-2027 Beperken juveniele ganzen (voortzetting) Door ganzenbeheer krijgen met name rietoevers meer kans om tot ontwikkeling te komen. De gemeente Amsterdam neemt noodmaatregelen (afvangen van ruiende ganzen en plaatsen van rasters bij bedreigde rietkragen), vooruitlopend op een structurele aanpak. Bij de aanleg van natuurvriendelijke oevers is het belangrijk jonge aanplant te beschermen (bijvoorbeeld met gaas) tegen vraat. Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Terra Nova, Loenderveen-Oost en Waterleidingplas. Gemeente Amsterdam 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Beperken juveniele ganzen afgerond Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Terra Nova, Loenderveen-Oost en Waterleidingplas. Gemeente Amsterdam 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Beperken juveniele ganzen door eieren rapen Het betreft het rapen van eieren om de graas door ganzen en daarmee de belasting van het milieu in het gebied te beperken.Dit is een voortzetting van de maatregel die al in de periode 2007-2009 is uitgevoerd. Gemeente Amsterdam 2009-2015

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Geen herbegrenzing nodig.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 3 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.